De grondwet van 1848

Onze parlementaire democratie is een goed doordacht concept. De grondwet van 1848 was niet alleen een juridisch meesterwerk, maar ook een geweldig psychologisch compromis tussen het gezonde verstand en het irrationele gevoel, een pragmatisch compromis tussen hoofd en hart. De grondwet van Johan Rudolf Thorbecke was niet alleen een enorme stap voorwaarts in de richting van democratie en rechtsstaat, maar was ook een duurzame beslechting van het conflict dat de Nederlandse politiek eeuwenlang beheerste en het volk verdeeld hield, namelijk de machtsstrijd tussen Oranjeklanten en Patriotten. De burgerij verkreeg de politieke invloed waarop zij recht had en het volk behield zijn Middeleeuwse relikwie in de vorm van een koningshuis dat ook wel zonder directe macht kon voorzien in de onbestemde behoefte aan aanhankelijkheid, devotie en geborgenheid.

 

Het algemeen kiesrecht

De uitbreiding van het parlementaire stelsel met het algemeen kiesrecht, ruim een halve eeuw later, was een lang gekoesterde wens van het vooruitstrevende en democratische deel van de bevolking. Met name de Sociaal-democraten hoopten dat het algemeen kiesrecht een enorme stemmenwinst zou opleveren. Zij kwamen immers op voor de belangen van ‘de kleine man’ en rekenden erop dat zij hiervoor beloond zouden worden. Om dezelfde reden hadden de Christelijke partijen zich voordien met hand en tand verzet tegen een algemeen kiesrecht. Waarschijnlijk beseften de Christelijke partijen reeds op het moment dat zij uiteindelijk met de invoering akkoord gingen dat de verwachtingen die de linkse beweging koesterde van het algemeen kiesrecht, gebaseerd was op een illusie.

Een illusie die overigens kenmerkend is voor de moderne parlementaire democratie waarin de (democratische) legitimatie van het bestuur tot stand komt door middel van verkiezingen. De aanname hierbij is dat het algemeen kiesrecht de burger in gelijke mate in staat stelt om invloed uit te oefenen op het bestuur. Een actief stemrecht, aanvankelijk zelfs een burgerplicht, maakt de burger echter ook verantwoordelijk. Niet iedereen is in gelijke mate in staat om deze verantwoordelijkheid te dragen. Bovendien is deze verantwoordelijkheid een gedeelde verantwoordelijkheid waarover per definitie geen verantwoording behoeft te worden afgelegd. Het uitoefenen van het actieve kiesrecht is daarom een verantwoordelijke maar tevens anonieme handeling waarvoor niet iedereen in gelijke mate en op dezelfde wijze verantwoordelijkheid aanvaardt.

 

Verzuiling en stabiliteit

Het in stand houden van het stelsel van parlementaire democratie gaat niet vanzelf. Het omgaan met macht en invloed vraagt van alle betrokkenen een ijzeren zelfdiscipline en een onwrikbare wil om zich aan de regels van het spel te houden. In de negentiende en twintigste eeuw is dit proces in Nederland zonder veel kleerscheuren verlopen. Slechts tweemaal dreigde deze zelfdiscipline te bezwijken onder het gewicht van de verleiding van de macht: Geïnspireerd door het revolutionaire klimaat in Europa direct na de Eerst Wereldoorlog, trachtte de linkse beweging tevergeefs de macht naar zich toe te trekken tijdens de z.g. revolutiepoging (1918). Na de Tweede Wereldoorlog probeerden de Christelijke conservatieven, gesteund door het Koningshuis, van de gelegenheid gebruik te maken om zich van ‘het juk’ van de parlementaire democratie te ontdoen (1944-1947). Het ontbreken van parlementaire controle was de conservatieve regering in ballingsschap maar al te goed bevallen.

De democratische rechtsorde bood evenwel aan alle politieke stromingen voldoende perspectief op invloed en macht om zich duurzaam aan de democratische spelregels te onderwerpen. De verzuiling in de Nederlandse samenleving droeg in niet geringe mate bij aan politieke stabiliteit. Kiezers stemden veelal loyaal op de partijen die de gemeenschap vertegenwoordigden waartoe zij behoorden. Na de afschaffing van de stemplicht, keerden een substantieel deel van de kiesgerechtigden zich massaal af van de politiek. Zij voelden zich intuïtief niet in staat om het kiesrecht op een verantwoorde manier uit te oefenen, bijvoorbeeld door gebrek aan ontwikkeling of opleiding. Dit onvermogen manifesteerde zich vaak in sterke afkeer van de politiek en/of een dwangmatig wantrouwen jegens de overheid, 

Tegelijkertijd maakten alle politieke groeperingen, binnen bepaalde grenzen, behendig gebruik van het gebrek aan inzicht bij de kiezer. De politiek had zich als het ware aangepast aan de tekortkomingen van het stelsel.

Uitgewoond en uitgehold

foto van vervormd kroonjuweel
Van het optreden van rattenvangers, populisten en demagogen was in Nederland nauwelijks sprake. Sterker nog, de wijze waarop de Duitse democratie (in 1933) zichzelf de nek had omgedraaid, werd in Nederland toch vooral gezien als een typisch Duitse eigenaardigheid die in Nederland niet mogelijk zou zijn.

Pas toen de greep van de zuilen op de samenleving verslapte en daarmee ook de conserverende en stabiliserende werking op de parlementaire democratie wegsmolt, traden de tekortkomingen van het stelsel steeds duidelijker aan het licht. Dit proces werd versneld en versterkt door verschillende externe factoren, zoals de economische crisis in de jaren ’80 en het einde van de koude oorlog in 1989-1990. Pas in de jaren ’90 kwamen de ware motieven van de gevestigde orde om mee te werken aan de opbouw van de z.g. verzorgingsstaat in de jaren ’50 en ’60 aan de oppervlakte. De steun aan de tot standkoming van een stelsel van sociale voorzieningen was niet zo zeer het resultaat geweest van een voortschrijdend inzicht of een oprecht gevoelde sociale verantwoordelijkheid. De wetgever had daarmee vooral het strategische doel gehad om in de dreigende omstandigheden van de Koude Oorlog het Communisme in eigen land de wind zoveel mogelijk uit de zeilen te nemen. Met het wegvallen van deze dreiging eind jaren ’80, wilde men zo snel mogelijk weer af van de ‘verworvenheden’ van de verzorgingsstaat.

Een derde externe factor van betekenis die met de laatste genoemde ontwikkeling samenhing, was de toenemende invloed van de Angelsaksische mentaliteit. Hoewel er in Nederland, zowel links als rechts, weinig affiniteit bestond met het totalitaire Communisme in Oost-Europa, betekende het wegvallen hiervan, vreemd genoeg, in ons land een rampzalige mentale dijkdoorbraak waardoor wij in de jaren ’90 overspoeld werden met een ongebreideld materialistisch en overheidsvijandig marktdenken vanuit de Angelsaksische landen (neo-liberalisme).

Het is wrang te noemen dat D’66 de enige politieke partij in Nederland was die de urgentie van bestuurlijke vernieuwing in deze nieuwe situatie duidelijk voelde. Met hun ‘kroonjuwelen’ zochten de democraten uit 1966 echter de oplossingen hoofdzakelijk in het toevoegen van klassieke vormen van directe democratie, zoals het rechtstreeks kiezen van bestuurders en het volksreferendum, aan de bestaande vertegenwoordigende democratie. Dergelijke klassieke vormen van directe democratie zouden onze vertegenwoordigende democratie alleen maar verzwakken en ons opzadelen met moeilijk op te lossen legitimatie-conflicten tussen bestuurders en volksvertegenwoordigers. De betekenis van verkiezingen zou nog verder uitgehold worden en een carnavalesk karakter gaan dragen, zoals de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De inhoudelijke politiek zou steeds verder op de achtergrond raken,  het alles of niets principe bij verkiezingen zou steeds verder oprukken en een demoraliserende invloed hebben op de kiezer.

Gelukkig is er tot nu toe weinig terecht gekomen van de ‘bestuurlijke vernieling’ van D’66. Maar hun kroonjuwelen blijven dreigend als donkere wolken boven onze verzwakte democratie hangen. Het is pijnlijk wanneer je bedenkt hoeveel behoefte er is aan werkelijke bestuurlijke vernieuwing gebaseerd op een grondige analyse van democratie en rechtsstaat in de moderne samenleving.